ABDIJ ONZE LIEVE VROUWE VAN LEFFE
De Onze-Lieve-Vrouwe abdij van Leffe werd gesticht in het jaar 1152 door Norbertijner kanunniken. De abdij ligt in het vroegere dorpje Leffe, bij Dinant, daar waar de rivier de Leffe in de Maas uitmondt. Graaf Hendrik I van Namen schonk de Santa Maria kerk van Leffe, samen met de bijbehorende gronden en inkomsten, aan de ab van de abdij van Floreffe onder de voorwaarde dat er een klooster gesticht zou worden. Dat klooster was hard nodig in Dinant. Er kwamen veel handelsreizigers en pelgrims en die hadden pastorale zorg nodig. Het klooster komt in de jaren na de stichting tot grote bloei en krijgt en groot aantal nieuwe intredingen die het noodzakelijk maken de gebouwen steeds uit te breiden. In het jaar 1200 krijgt het klooster de status van abdij
In het jaar 1240 verkocht de geestelijke Gossuin zijn brouwerij en al zijn andere bezittingen aan de abdij. Zowel de graanmolen als de brouwerij werden naar de abdij verplaatst zodat er sprake van is dat sinds het jaar 1240 bier in de abdij gebrouwen werd.
Abdijen die honderden jaren bestaan kennen goede en slechte periodes, dat geldt ook voor de Abdij van Leffe. De abdij werd verschillende malen verwoest en ook de brouwerij moest er aan geloven.
De Santa Maria kerk, waar het allemaal mee begon, werd in het jaar 1460 door een overstroming verwoest, er moet een nieuwe abdijkerk gebouwd worden, maar een paar jaar later, in 1466, lijden zowel de stad Dinant als de abdij zware schade door aanvallen van Karel de Stoute. Alle archieven werden vernietigd en alle eigendomsrechten werden door Karel de Stoute verkocht. De brouwerij van de abdij kwam daardoor in particuliere handen. Maar de abdij herrijst.
In 1735 wordt de abdij gedwongen een regiment Huzaren gastvrijheid te verlenen. Zij brengen grote schade aan aan de gebouwen en aan de brouwerij, die kennelijk ook weer in handen is van de abdij.
Weer worden de gebouwen daarom volledig vernieuwd en dat gebeurt nu in barokstijl, maar dan komt in 1796 de Franse revolutie. De abdij wordt gedwongen te sluiten en in 1802 worden de gebouwen verkocht, Er blijkt op dat moment nog steeds een brouwerij in de abdij te zijn, want die wordt gekocht door twee voormalige monniken, Joseph George en Alexander Fissiane. Het brouwen duurt echter nog maar een paar jaar, De brouwerij stopt definitief in 1809.
In 1816 worden de gebouwen in gebruik genomen als glasfabriek, in als 1839 papierfabriek en eind 19e eeuw is er alleen nog ruïne over, de gebouwen werden grotendeels afgebroken om de stenen elders te kunnen gebruiken.
In 1903 nemen Norbertijnen van de abdij van Frigolet in Zuid Frankrijk hun intrek in de zwaar beschadigde abdij, omdat ze bang zijn in Frankrijk vervolgd te worden. Ze krijgen het zwaar te verduren. De pogingen om de abdij weer volledig op te bouwen worden zeer bemoeilijkt door de twee wereldoorlogen die er aan komen. De abdij wordt gedeeltelijk door de Duitsers ingenomen en gebruikt als gevangenis. De monniken worden verdacht van collaboratie en overgebracht naar Marche-en-Famenne, maar kunnen later toch weer terugkeren. Na de eerste wereldoorlog zijn er van de 60 religieuzen die uit Frigolet waren gekomen nog maar 30 over, zij besluiten naar Frigolet terug te keren. Er blijft één persoon achter om de leegstaande gebouwen te beheren. Dat duurt tot 1929. In april 1929 wordt de abdij van Tongerlo getroffen door een zware brand. De monniken mogen gebruik maken van de leegstaande abdij van Leffe, als hun abdij weer zover hersteld is dat ze in 1931 kunnen terugkeren naar hun eigen abdij blijven enkelen van de Norbertijnen achter in Leffe om de abdij van Leffe weer officieel in zijn status van abdij terug te brengen. Maar dan volgt de tweede wereldoorlog waarin de abdij weer zwaar te lijden heeft. De Norbertijnen die er woonden moesten herhaaldelijk vluchten voor het oorlogsgeweld. Na de tweede wereldoorlog probeerde de gemeenschap te overleven door het fabriceren en verkopen van wierook en inkt, maar de financiële situatie maakt het voortbestaan van de abdij bijna onmogelijk, tot abt Cyril Nijs besluit contact te zoeken met bierbrouwer Lootvoet en een overeenkomst maakt om Leffe abdijbier te gaan brouwen.
Het bier van Leffe
Hoe zit het nu eigenlijk met dat bier van Leffe, het meest bekende abdijbier van België. Het bier wordt helemaal niet gebrouwen in de abdij en ook niet sinds het jaar 1240, want Leffe abdijbier bestaat pas sinds 1952 en wordt gebrouwen door de grootste brouwerij van België, InBev, in een brouwerijfabriek Leuven. En toch is het een erkend abdijbier. Hoe kan dat?
Om dat te weten moeten we terug naar dat jaar 1952. De abdij Nôtre Dame de Leffe had in die jaren financiële problemen. Abt Cyril Nijs besloot daarom in 1952 om aan Valerie Lootvoet, de eigenaar van brouwerij Lootvoet te vragen, of hij voor de abdij een bier wilde gaan brouwen. Lootvoet wilde dat wel doen, zijn brouwerij kon ook wel wat extra omzet gebruiken. De abt vroeg wel een bijdrage voor het gebruik van de naam van de abdij, abdijbier werd in die tijd een nogal gewild product, brouwerij Lootvoet zag de samenwerking wel zitten. Het was voor het eerst dat een abdij op die manier zijn naam “verkocht” aan een brouwer. Oude recepten waren er niet, zodat Lootvoet een geheel nieuw bier ontwikkelde. De paters proefden verschillende brouwsels en kozen er één. Een donkerbruin bier van hoge gisting, gefilterd, dus zonder hergisting in de fles. De paters hadden kennelijk een goede smaak want het bier viel meteen overal in de smaak en werd goed verkocht.
In 1954 kocht brouwerij Artois (van biermerk Stella) de aandelen van Lootvoet. In 1987 ging Artois samen met brouwerij Piedboeuf (van Jupiler) en zo ontstond Interbrew en Interbrew werd vervolgens de brouwerijgigant InBev. En voor de abdij was dat allemaal goed nieuws,omdat InBev het bier nu over de hele wereld ging verkopen en nog steeds een deel van de opbrengst van de verkoop voor de abdij bestemd is De opbrengst voor de abdij is inmiddels zo´n zeven miljoen euro per jaar. Voor dat geld mag Leffe zich abdijbier noemen. Hoe meer Leffe bier er verkocht wordt hoe meer inkomsten de abdij krijgt en InBev mag de abdijtraditie wereldwijd voor hun marketing blijven gebruiken.